Differentiëren 

Eén instructie, drie routes, zonder drie lessen voor te bereiden

Geef een gezamenlijke korte instructie (max. 10–15 min.) over de kern. Splits daarna op:

Basisgroep: standaardopdrachten, zelfstandig aan de slag. Kunnen bij jou terecht aan de instructietafel.

Verlengde instructie: klein groepje krijgt 5–10 min. extra met meer voorbeelden en begeleide oefening. Daarna zelfstandig verder.

Verdieping: een uitdagender alternatief, een open vraagstuk, onderzoeksopdracht of "doceeropdracht" waarin ze de stof aan een klasgenoot uitleggen.

  • Laat leerlingen zelf kiezen. Stoplicht: groen = ik kan zelfstandig, oranje = ik twijfel, rood = ik wil extra uitleg. Scheelt jou de selectie, geeft hen eigenaarschap. Je corrigeert waar nodig.
  • Laat leerlingen wisselen tussen routes. Voorkom vaste groepjes, wie vandaag verlengde instructie nodig heeft, kan volgende week bij de verdieping zitten.
  • Drie varianten, niet drie lessen. Dezelfde tekst of opgave, maar route 1 krijgt meerkeuzevragen, route 2 open vragen, route 3 een analyseopdracht. Eén voorbereiding, drie niveaus.
  • Start met één les per week. Als dat loopt, breid je uit. Differentiëren hoeft niet elke les.
  • De instructietafel. Een tafel vooraan of opzij waar je kort met een klein groepje werkt terwijl de rest zelfstandig bezig is. Wissel per les welk groepje, zo voorkom je stigmatisering
  • Verrijking meer van hetzelfde. Tien extra sommen is geen verrijking. Een andere denkrichting, een ontwerpvraag of een koppeling naar een ander vak wel.