Hoe kom jij over?

Je kunt precies dezelfde woorden gebruiken en tóch iets heel anders overbrengen.

Zeg maar eens “Prima hoor” alsof je heel blij bent. En daarna alsof je ontzettend geïrriteerd bent. De woorden zijn hetzelfde, maar waarschijnlijk komt de boodschap totaal anders over.

In de vorige opdracht heb je gekeken naar je houding en uitstraling. In deze les ga je een stap verder. Je onderzoekt wat je stem, gezichtsuitdrukking en lichaamstaal doen met de boodschap die je overbrengt.

Wat ga je ontdekken?

Na deze les:

  • weet je dat communicatie uit meer bestaat dan alleen woorden;
  • herken je hoe stemgebruik en lichaamstaal een boodschap kunnen veranderen;
  • ervaar je hoe anderen jouw gedrag kunnen interpreteren;
  • kun je bewuster kiezen hoe je iets tegen iemand zegt.

1. Dezelfde woorden, andere boodschap

Werk samen met een klasgenoot.

Zeg om de beurt de zin:

“Is goed, dan doe ik dat wel.”

Maar iedere keer op een andere manier.

Probeer bijvoorbeeld:

  • enthousiast;
  • boos;
  • onzeker;
  • geïrriteerd;
  • verdrietig;
  • ongeïnteresseerd;
  • zelfverzekerd.

De ander probeert te raden welke emotie of houding je laat zien.

Bespreek daarna:

Waar lette je vooral op?

Was dat bijvoorbeeld:

  • de toon van de stem?
  • het volume?
  • de gezichtsuitdrukking?
  • oogcontact?
  • de houding?
  • bewegingen met armen of handen?

2. Hoe komt dit over?

Lees samen de volgende situaties.

Situatie 1

Een klasgenoot vraagt:

“Kun je me even helpen?”

Je kijkt ondertussen op je telefoon en zegt:

“Ja hoor.”

Hoe komt dit over?

Situatie 2

Iemand vertelt je iets wat voor hem of haar belangrijk is.

Je kijkt diegene aan, knikt af en toe en stelt een vraag.

Hoe komt dit over?

Situatie 3

Een docent vraagt waarom je iets nog niet hebt gedaan.

Je kijkt weg, haalt je schouders op en zegt:

“Weet ik niet.”

Hoe zou de docent jouw reactie kunnen interpreteren?

Is dat ook altijd wat jij ermee bedoelt?

Situatie 4

Je bent het niet eens met een klasgenoot.

Je kijkt de ander aan en zegt rustig:

“Ik zie dat eigenlijk anders.”

Hoe komt dit over?

Wat zou er veranderen wanneer je precies dezelfde woorden schreeuwend zou zeggen?

3. Eén zin, drie versies

Kies samen één van deze zinnen:

“Kun je daarmee stoppen?”

“Ik ben het niet met je eens.”

“Laat maar.”

“Wat bedoel je daarmee?”

“Dat vind ik niet fijn.”

Voer de zin op drie verschillende manieren uit:

Versie 1 – Onzeker

Hoe ziet en klinkt dat?

Versie 2 – Agressief

Hoe ziet en klinkt dat?

Versie 3 – Rustig en duidelijk

Hoe ziet en klinkt dat?

Bespreek daarna:

  • Welke versie kwam het duidelijkst over?
  • Bij welke versie zou je zelf het liefst luisteren?
  • Welke versie zorgt waarschijnlijk het snelst voor ruzie?
  • Kun je duidelijk zijn zonder boos of agressief te worden?

4. Wat denkt de ander?

Soms bedoel jij iets heel anders dan hoe het bij een ander overkomt.

Maak samen deze zin af:

Ik bedoel… maar de ander kan denken…

Bijvoorbeeld:

Ik bedoel: Ik ben moe en heb even geen zin om te praten.
De ander kan denken: Hij is boos op mij.

Bedenk samen nog twee voorbeelden.

Voorbeeld 1

Ik bedoel:

De ander kan denken:

Voorbeeld 2

Ik bedoel:

De ander kan denken:

Tot slot

Denk even na over jezelf.

Wat doe jij als je onzeker bent?

Wat doe jij als je geïrriteerd bent?

Hoe kunnen anderen dat aan jou merken?

Kom jij altijd over zoals je wilt overkomen?

En misschien wel de belangrijkste vraag:

Wat kun jij zelf doen om duidelijker over te komen?

Onthoud:

Mensen luisteren niet alleen naar wat je zegt. Ze kijken en luisteren ook naar hoe je het zegt.