samenwerken als het lastig wordt

Samenwerken gaat niet altijd vanzelf. Wat doe je als iemand niets uitvoert? Als één groepslid alles naar zich toetrekt? Of als twee mensen in je groep ruzie hebben?

In deze les onderzoeken leerlingen aan de hand van herkenbare situaties hoe zij kunnen omgaan met problemen tijdens het samenwerken. Ze bespreken verschillende oplossingen, luisteren naar elkaars ideeën en denken na over hun eigen rol binnen een groep.

Lesdoelen

Na deze les kunnen leerlingen:

  • verschillende problemen tijdens samenwerken herkennen;
  • meerdere mogelijke oplossingen voor een samenwerkingsprobleem bedenken;
  • uitleggen welke oplossing zij het meest verstandig vinden;
  • nadenken over hun eigen gedrag en verantwoordelijkheid binnen een groep;
  • bespreken wanneer je een probleem zelf kunt oplossen en wanneer je hulp moet vragen.

Duur

45 minuten

Benodigdheden

  • Werkblad Casussen samenwerkingsopdracht
  • Papier of schrift voor iedere groep
  • Eventueel een bord of digibord

Lesopbouw

1. Start: Wanneer werkt samenwerken wél? | 5 minuten

Begin met de vraag:

Wanneer vind jij dat een groep goed samenwerkt?

Laat leerlingen kort reacties noemen.

Schrijf een aantal belangrijke woorden op het bord, bijvoorbeeld:

luisteren – afspraken maken – eerlijk verdelen – verantwoordelijkheid nemen – communiceren – elkaar helpen

Stel daarna de tegenovergestelde vraag:

Wat kan samenwerken juist heel lastig maken?

Vertel dat leerlingen vandaag niet gaan kijken naar de perfecte samenwerking, maar juist naar wat je kunt doen als het misgaat.

 


 

2. Casussen bespreken | 15 minuten

Verdeel de klas in groepjes van ongeveer drie of vier leerlingen.

Geef ieder groepje één of twee casussen uit het werkblad.

Laat de leerlingen eerst samen bespreken:

  1. Wat is hier precies het probleem?
  2. Wie heeft er last van het probleem?
  3. Welke oplossingen zijn mogelijk?
  4. Welke oplossing zouden jullie kiezen?
  5. Waarom vinden jullie dit de beste oplossing?

Belangrijk: vertel leerlingen dat er niet altijd één goed antwoord bestaat. Het gaat er vooral om dat ze kunnen uitleggen waarom hun oplossing volgens hen werkt.

 


 

3. Maak een plan | 10 minuten

Laat ieder groepje voor één casus een concreet stappenplan maken.

Gebruik daarvoor drie stappen:

Stap 1. Wat doe je zelf?
Wat kun je eerst proberen zonder hulp van een docent?

Stap 2. Wat bespreek je met de ander?
Wat zou je letterlijk tegen het groepslid of de groep kunnen zeggen?

Stap 3. Wanneer vraag je hulp?
Wanneer lukt het niet meer om het probleem samen op te lossen?

Laat leerlingen hun oplossing zo praktisch mogelijk maken.

Dus niet alleen:

“Ik zou met hem praten.”

Maar bijvoorbeeld:

“Ik zou eerst apart vragen waarom hij zijn deel nog niet heeft gedaan. Daarna maken we samen een afspraak over wat hij deze les afmaakt. Als hij daarna nog steeds niets doet, bespreken we dit met de docent.”

 


 

4. Wat zou jij doen? | 10 minuten

Bespreek enkele casussen klassikaal.

Lees een situatie voor en laat het groepje dat deze casus heeft voorbereid hun oplossing vertellen.

Vraag daarna aan de rest van de klas:

Wie zou het anders aanpakken?

Laat leerlingen reageren op elkaars oplossingen.

Gebruik eventueel verdiepende vragen:

  • Is deze oplossing eerlijk voor iedereen?
  • Los je hiermee het echte probleem op?
  • Wat zou er kunnen gebeuren als je niets doet?
  • Wanneer wordt hulp vragen eigenlijk klikken?
  • Kun je verantwoordelijk zijn voor de groep zonder alles zelf over te nemen?
  • Hoe spreek je iemand aan zonder meteen ruzie te krijgen?

Benadruk hierbij dat verantwoordelijkheid nemen niet hetzelfde is als alles zelf oplossen.

 


 

5. Afsluiting: Mijn rol in een groep | 5 minuten

Laat leerlingen individueel drie zinnen afmaken:

Als ik samenwerk, ben ik goed in…

Tijdens samenwerken moet ik opletten dat ik niet…

Als er de volgende keer een probleem in mijn groep ontstaat, wil ik proberen om…

Bespreek eventueel een paar antwoorden.

Voor de mentor

De situaties uit deze les zijn bewust niet zwart-wit. Sommige leerlingen zullen bijvoorbeeld snel vinden dat je naar een docent moet stappen, terwijl anderen vinden dat je alles eerst zelf moet oplossen.

Gebruik die verschillen juist in het gesprek.

Een bruikbare volgorde die uit de les naar voren kan komen is:

signaleren → bespreken → afspraken maken → opnieuw proberen → hulp inschakelen

Daarbij blijft één uitgangspunt belangrijk:

Je bent verantwoordelijk voor je eigen bijdrage aan de samenwerking, maar je bent niet verantwoordelijk voor het gedrag van de hele groep.

Extra verdieping

Wil je de les uitbreiden, laat leerlingen dan na de casussen zelf een zevende casus bedenken:

“Bedenk een samenwerkingsprobleem dat echt op school zou kunnen gebeuren.”

Laat groepjes hun casus uitwisselen en elkaars probleem oplossen.

Korte afsluitende boodschap

Goed samenwerken betekent niet dat er nooit problemen zijn.

Goed samenwerken betekent dat je problemen bespreekbaar maakt, verantwoordelijkheid neemt voor je eigen aandeel en samen probeert een oplossing te vinden.

Casussen Samenwerkingsopdracht Docx

Word – 16,4 KB 0 downloads