Daar krijg ik energie van!
Thema: Persoonlijke ontwikkeling
Duur: 45 minuten
Doelgroep: VMBO leerjaar 1 en 2
Kernvraag: Waar krijg jij energie van?
Doel van de les
Leerlingen onderzoeken welke activiteiten, situaties en mensen hen energie geven. Niet vanuit de vraag “Waar ben ik goed in?”, maar juist:
Waar word ik blij, enthousiast, nieuwsgierig of gemotiveerd van?
Aan het einde van de les kunnen leerlingen:
- verschillende persoonlijke energiegevers benoemen;
- herkennen wat bepaalde energiegevers met elkaar gemeen hebben;
- aangeven waarvan zij graag wat meer in hun dagelijks leven zouden willen.
1. Binnenkomer De batterij 5 minuten
Teken groot een batterij op het bord, van leeg naar vol.
Vraag de leerlingen om voor zichzelf hun huidige energieniveau een cijfer van 0 tot 100% te geven.
Ze hoeven dit niet hardop te delen.
Vraag daarna:
Waardoor kan jouw batterij op één dag ineens voller worden?
Noem zelf een paar heel gewone voorbeelden:
- iemand maakt een grap;
- je favoriete liedje komt voorbij;
- je scoort tijdens een wedstrijd;
- een les valt uit;
- iemand vraagt juist jouw hulp;
- je maakt iets wat goed lukt;
- je bent even alleen;
- je hoort dat je ergens naartoe gaat waar je zin in hebt.
Leg uit:
Vandaag kijken we niet naar wat energie kost. We gaan juist op zoek naar de dingen die jouw batterij opladen.
2. Het Energie-experiment 10 minuten
Geef iedere leerling een vel papier. Of gebruik het werkblad.
Laat ze midden op het papier een grote batterij tekenen.
Daaromheen schrijven ze zo snel mogelijk alles op waarvan zij denken:
Hier kan mijn batterij van opladen.
Geef steeds korte categorieën als geheugensteuntje.
Denk aan:
Dingen die je doet
- sporten
- koken
- gamen
- tekenen
- muziek
- bouwen
- wandelen
- filmpjes maken
Mensen
- vrienden
- familie
- een bepaalde vriend(in)
- teamgenoten
- iemand die je aan het lachen maakt
Momenten
- vakantie
- weekend
- na school
- laat opblijven
- ergens naartoe gaan
- iets winnen
- iets afmaken
Situaties
- alleen zijn
- juist met veel mensen zijn
- competitie
- iets nieuws doen
- ergens goed in zijn
- iemand helpen
- iets zelf mogen bepalen
Regel: Niet nadenken of iets ‘een goed antwoord’ is.
Netflix kijken, je hond uitlaten, een goal maken en je kamer opnieuw inrichten mogen allemaal naast elkaar staan.
Laat leerlingen uiteindelijk minimaal 10 energiegevers opschrijven.
3. De energieveiling 12 minuten
Dit vormt de actieve werkvorm van de les.
Iedere leerling krijgt denkbeeldig:
100 energiepunten
Vertel: Stel dat je komende week maar een beperkte hoeveelheid tijd hebt. Je kunt niet alles doen. Waar zou jij je energiepunten aan uitgeven?
Zet verschillende ‘energiegevers’ op het bord of op kaartjes in het lokaal.
Bijvoorbeeld:
- lachen
- bewegen
- muziek
- vrienden
- alleen zijn
- winnen
- iets maken
- avontuur
- buiten zijn
- gamen
- iets nieuws leren
- helpen
- creatief bezig zijn
- rust
- spanning
- vrijheid
- samenwerken
- complimenten krijgen
- iets afmaken
- lekker eten
- dieren
- ergens goed in worden
- zelf bepalen wat je doet
- gezelligheid
Leerlingen mogen hun 100 punten verdelen over maximaal vijf dingen.
Bijvoorbeeld:
EnergiegeverPuntenVrienden30Muziek25Sport20Vrijheid15Buiten zijn10
Samen precies 100.
Daarna komt de twist
Vertel:
Er verandert iets. Je mag nog maar drie energiegevers houden.
Ze moeten er twee schrappen.
Daarna:
En nu moet je er nóg één schrappen.
Er blijven dus uiteindelijk twee belangrijke energiegevers over.
Laat leerlingen deze groot omcirkelen.
Vraag niet meteen om klassikaal te vertellen wat ze hebben gekozen.
Vraag eerst:
Was het makkelijk om dingen weg te strepen?
Waar begon je te twijfelen?
Welke bleef zonder twijfel staan?
Juist die laatste vraag zegt vaak veel.
4. De stille energiegalerij 10 minuten
In plaats van een standaard tweetalgesprek maken jullie een kleine tentoonstelling.
Iedere leerling pakt een post-it of klein kaartje.
Daarop schrijven ze alleen:
Mijn batterij laadt op van…
en daarna maximaal drie woorden of korte zinnen.
Bijvoorbeeld:
Muziek – vrienden – sporten
of:
Dingen maken – rust – dieren
of:
Lachen – competitie – vrijheid
Alle kaartjes worden zonder naam op een muur, raam of bord gehangen.
Daarna lopen leerlingen langs de energiegalerij.
Maar ze krijgen een opdracht.
Iedere leerling zoekt:
- één kaartje dat bijna precies bij hem/haar past;
- één kaartje dat totaal anders is;
- één energiegever waar hij/zij zelf nog niet aan had gedacht.
Na een paar minuten bespreek je klassikaal wat opvalt.
Mogelijke vragen:
- Welke energiegevers kwamen heel vaak terug?
- Welke juist bijna niet?
- Welke verraste je?
- Kan iets voor de één energie geven en voor een ander energie kosten?
Zo praten leerlingen over de groep als geheel, zonder dat iedereen zijn persoonlijke antwoorden uitgebreid hoeft te presenteren.
5. Mijn persoonlijke oplader 8 minuten
Leerlingen kijken nogmaals naar hun eigen batterij en energieveiling.
Laat ze deze zinnen individueel afmaken:
Mijn drie grootste energiegevers zijn:
- …
- …
- …
Ik merk dat ik energie krijg wanneer…
…
Iets waar ik eigenlijk te weinig tijd voor maak is…
…
Eén ding waarvan ik komende week bewust iets meer wil doen:
…
Laat ze als laatste een klein batterijtje tekenen.
Daarin schrijven ze één woord dat ze van deze les willen onthouden.
Afsluiting
Sluit af met:
Je batterij wordt niet alleen opgeladen door rust. Soms krijg je juist energie van bewegen, mensen, spanning, muziek, iets maken of ergens helemaal in opgaan.
En wat jouw batterij oplaadt, hoeft niet hetzelfde te zijn als bij iemand anders.
Daarom is het handig om te weten waar jouw persoonlijke opladers zitten.