Vrijheid en grenzen
“Ik mag toch zelf weten wat ik doe?”
Dat klopt vaak. Je mag zelf kiezen wat je aantrekt, welke muziek je luistert, met wie je omgaat en wat je ergens van vindt.
Maar betekent vrijheid dat je altijd alles mag doen wat je zelf wilt?
Wat als jouw keuze ervoor zorgt dat een ander zich niet meer prettig, veilig of vrij voelt?
In deze les onderzoek je waar jouw vrijheid ophoudt en waar die van een ander begint.
Wat ga je leren?
Na deze les:
- kun je uitleggen wat vrijheid voor jou betekent;
- begrijp je dat vrijheid ook grenzen heeft;
- kun je nadenken over de gevolgen van jouw gedrag voor anderen;
- herken je situaties waarin verschillende vrijheden met elkaar botsen;
- kun je uitleggen waarom afspraken en grenzen soms nodig zijn.
Duur
45 minuten
Benodigdheden
- ruimte om door het lokaal te bewegen;
- eventueel de situaties op het digibord;
- papier of schrift voor de afsluiting.
1. Ik mag toch zelf weten…? | 5 minuten
Begin met de vraag:
Wat betekent vrijheid voor jou?
Laat leerlingen kort reageren.
Schrijf een paar antwoorden op het bord.
Denk aan:
- zelf keuzes maken;
- kunnen zeggen wat je vindt;
- kunnen doen wat je leuk vindt;
- jezelf kunnen zijn;
- niet overal toestemming voor hoeven vragen.
Lees daarna deze zin voor:
“Vrijheid betekent dat je mag doen wat je wilt.”
Vraag:
Klopt deze zin?
Laat leerlingen kort reageren.
Geef daarna een extreem voorbeeld:
Stel dat iemand midden in de nacht voor jouw slaapkamerraam keiharde muziek wil draaien.
Diegene zegt:
“Ik vind deze muziek leuk. Ik mag toch zelf weten wat ik luister?”
Vraag:
Heeft diegene gelijk?
Waarschijnlijk ontstaat vanzelf de conclusie dat jouw vrijheid gevolgen kan hebben voor iemand anders.
2. Mijn vrijheid – jouw vrijheid | 8 minuten
Vertel de leerlingen dat je steeds een situatie voorleest.
Ze kiezen:
DIT MOET KUNNEN
of
DIT GAAT TE VER
Wijs twee kanten van het lokaal aan.
Lees de situaties één voor één voor.
Situatie 1
Je luistert in de pauze zonder oortjes naar muziek op je telefoon.
Situatie 2
Je maakt een grap over een vriend waarvan je weet dat hij die grappig vindt.
Situatie 3
Je maakt dezelfde grap over iemand die al heeft gezegd dat hij dat vervelend vindt.
Situatie 4
Je besluit dat je vandaag niet wilt meedoen met voetballen.
Situatie 5
Je besluit tijdens een groepsopdracht niets te doen, omdat jij geen zin hebt.
Situatie 6
Je zegt tegen iemand dat je het totaal niet eens bent met zijn mening.
Situatie 7
Je scheldt die persoon uit vanwege zijn mening.
Vraag na enkele situaties:
Waarom sta jij hier?
Wie heeft er last van deze keuze?
Verandert dat iets aan hoe vrij je zou moeten zijn?
Leerlingen mogen van kant veranderen wanneer ze een argument horen waardoor ze anders gaan denken.
3. De onzichtbare grens | 7 minuten
Laat twee vrijwilligers voor de klas komen.
Laat ze ongeveer twee meter uit elkaar staan.
Leerling A loopt langzaam richting leerling B.
Leerling B zegt “stop” wanneer A volgens hem of haar dichtbij genoeg is gekomen.
Doe dit eventueel nog een keer met andere leerlingen.
Vraag:
Stopt iedereen op dezelfde afstand?
Waarschijnlijk niet.
Vraag vervolgens:
- Waarom verschillen die grenzen?
- Hoe weet je waar de grens van iemand anders ligt?
- Moet iemand altijd uitleggen waarom hij een grens heeft?
- Wat doe je wanneer iemand aangeeft dat iets niet prettig is?
Leg uit:
Grenzen zijn niet altijd zichtbaar.
Daarom zijn drie dingen belangrijk:
Kijken
Let op hoe iemand reageert.
Luisteren
Neem serieus wat iemand zegt.
Stoppen
Wanneer iemand duidelijk aangeeft dat iets niet prettig is, respecteer je die grens.
Belangrijk
Een grens aangeven betekent niet automatisch:
“Jij bent fout.”
Het kan ook betekenen:
“Dit vind ik niet prettig.”
4. Waar ligt de grens? | 12 minuten
Verdeel de klas in groepjes van drie of vier leerlingen.
Geef ieder groepje één of meer situaties.
Bespreek steeds:
1. Welke vrijheid heeft persoon A?
2. Welke vrijheid of grens heeft persoon B?
3. Waar vinden jullie dat de grens ligt?
4. Wat zou een goede oplossing zijn?
Situatie 1: De grap
Een leerling maakt iedere dag grappen over een klasgenoot.
Hij zegt:
“Het zijn maar grapjes. Iedereen lacht toch?”
De klasgenoot heeft inmiddels meerdere keren gezegd dat hij ermee moet stoppen.
Mag hij doorgaan?
Situatie 2: De groepsapp
Iemand maakt een grappige foto van een klasgenoot en zet deze zonder te vragen in de groepsapp.
De maker zegt:
“Ik heb die foto gemaakt, dus ik mag hem toch delen?”
Wat vinden jullie?
Situatie 3: De mening
Een leerling zegt in een discussie iets waar bijna niemand in de klas het mee eens is.
Andere leerlingen vinden dat hij zijn mond moet houden.
Mag hij zijn mening blijven geven?
Zijn er grenzen aan hoe je een mening uit?
Situatie 4: De muziek
Een leerling wil in de pauze graag muziek luisteren.
Andere leerlingen willen rustig kunnen praten.
Wie moet zich aanpassen?
Situatie 5: De stoel
Een groep leerlingen zit iedere pauze op dezelfde plek.
Wanneer iemand anders daar gaat zitten zeggen ze:
“Dit is onze plek. Ga ergens anders zitten.”
Mogen ze dat zeggen?
Situatie 6: Filmen
Twee leerlingen filmen een grappig filmpje op school.
Op de achtergrond staat een andere leerling die absoluut niet gefilmd wil worden.
Wiens vrijheid telt hier?
5. Een stap verder | 8 minuten
Bespreek een paar situaties klassikaal.
Gebruik steeds dezelfde centrale vraag:
Wanneer stopt jouw vrijheid?
Probeer samen tot een aantal mogelijke antwoorden te komen.
Bijvoorbeeld:
Wanneer je een ander pijn doet.
Wanneer je een ander onveilig laat voelen.
Wanneer je bewust over een duidelijke grens van iemand heen gaat.
Wanneer jouw gedrag voorkomt dat een ander zijn vrijheid kan gebruiken.
Wanneer je afspraken of regels overtreedt die bedoeld zijn om anderen te beschermen.
Schrijf daarna op het bord:
Mijn vrijheid stopt waar die van een ander begint.
Vraag:
Wat betekent deze zin volgens jullie?
Geef eventueel het volgende voorbeeld:
Jij hebt de vrijheid om je mening te geven.
Een ander heeft de vrijheid om niet beledigd of bedreigd te worden.
Beide vrijheden moeten dus tegen elkaar worden afgewogen.
Vertel dat dit ook in een samenleving voortdurend gebeurt.
We willen zoveel mogelijk vrijheid.
Maar we maken ook afspraken en regels zodat niet alleen jij, maar ook anderen vrij en veilig kunnen leven.
6. Vrijheid of verantwoordelijkheid? | 3 minuten
Lees een paar korte zinnen voor.
Leerlingen steken één vinger op voor vrijheid en twee vingers voor verantwoordelijkheid.
“Ik mag zeggen dat ik het ergens niet mee eens ben.”
Vrijheid
“Ik luister ook wanneer iemand anders zijn mening geeft.”
Verantwoordelijkheid
“Ik mag kiezen met wie ik in de pauze omga.”
Vrijheid
“Ik respecteer het wanneer iemand aangeeft dat iets niet fijn is.”
Verantwoordelijkheid
Vraag:
Kun je vrijheid eigenlijk hebben zonder verantwoordelijkheid?
7. Tot slot | 2 minuten
Laat iedere leerling één van deze zinnen afmaken:
Vrijheid betekent voor mij…
Een grens is belangrijk omdat…
Ik merk dat ik over een grens van iemand heen ga wanneer…
Als iemand mijn grens overgaat, kan ik…
Sluit af met:
Onthoud
Vrijheid betekent niet:
“Ik doe gewoon waar ik zin in heb.”
Vrijheid betekent dat je ruimte krijgt om jezelf te zijn en keuzes te maken.
Maar die ruimte hebben andere mensen óók.
Vrijheid en verantwoordelijkheid horen daarom bij elkaar.
Jouw vrijheid stopt waar die van een ander begint.